De Canadese schrijfster Miriam Toews opent haar roman "Wat ze zeiden" met een feitelijke auteursnota.
Tussen 2005 en 2009 werden in een afgelegen doopsgezinde mennonistische kolonie in Bolivia meisjes en vrouwen, zelfs kinderen, herhaaldelijk gedrogeerd en verkracht in hun slaap, zogezegd door demonen, maar eigenlijk door een achttal lokale mannen.
Toews begint haar roman nadat de verkrachtingen zijn ontdekt. Peters, bisschop van de kolonie Molotschna, heeft de verkrachters laten arresteren om hen zo te beschermen tegen de woede van de vrouwen, en stelt vervolgens een ultimatum: of de vrouwen doen niets en vergeven de mannen, of ze blijven en vechten het uit, of ze gaan weg naar een wereld die hun volledig onbekend is. Ze krijgen 48u de tijd om te beslissen.
De vrouwen delegeren deze ondraaglijke keuze aan twee families, de Friesens en de Loewens. Elk gezin neemt een moeder, twee volwassen dochters en een tienerdochter of -nicht mee naar de onderhandelingen.
Het verhaal is een werk van diepe morele intelligentie want hoewel Toews' schrijven eenvoudig en vaak grappig is, werpt ze heel wat morele vragen op. Telkens weer bespreken de vrouwen of ze moeten kiezen voor hun eigen veiligheid en die van hun kinderen of voor hun geloof.
Als je weet dat de auteur daarenboven in een mennonistische gemeenschap in Canada werd geboren die ze op haar achttiende achterliet, voel je de kennis en verbondenheid die ze heeft met de vrouwen in de kolonie.
Gelukkig en ook verrassend is dat wat de titel ook suggereert, het verhaal wordt verteld door een man. In Molotschna leren immers alleen mannen lezen en schrijven. August Epp is de mannelijke outcast en dankzij zijn verhaal en bedenkingen krijg je wat pauzes tussen alle overweldigende ideeën door.
Dit is maar een van de leestips van Bettina, de wereldreiziger van De Leesbrigade.