Cartografen zetten vroeger vaak plaatsen op de kaart die niet echt bestonden om na te gaan of er geen piraatversies van hun kaarten of atlassen verspreid werden (paper towns). Ook in woordenboeken voegden lexicografen soms onbestaande woorden toe, die kregen de meer algemene term voor fictieve lemma’s in woordenboeken of encyclopedieën toegewezen: mountweazels. (Het woord mountweazel verwijst naar een artikel over de fictieve fonteinontwerper en fotografe Lilian Mountweazel in de New Columbia Encyclopedia).
In The liar’s dictionary gaat stagiaire Mallory op zoek naar zo’n fictieve woorden in het Swansby woordenboek. Tegelijk heeft ze ook last van een hardnekkige stalker die haar op kantoor blijft opbellen en dreigt om het gebouw op te blazen. In een parallelle verhaallijn volg je de 19de-eeuwse lexicograaf Winceworth. Hij is een wat introverte en zelfbewuste man die al jarenlang doet alsof hij lispelt om zo contact met collega’s te vermijden. Hij verzint regelmatig zelf woorden om die op rebelse wijze aan het officiële woordenboek toe te voegen. En net naar die mountweazels gaat Mallory op zoek.
Deze roman over de kracht van en liefde voor taal lijkt misschien wel een acquired taste voor taalnerds, maar mensen die gewoonweg van taal houden en inventieve woordspelletjes appreciëren vinden hier zeker hun gading.
Dit is maar een van de leestips van Yasmien, de anglofiel van De Leesbrigade.