‘I killed a little boy today. Put my hands around his throat.’ Deze eerste zinnen van het boek geven de gedachten weer van Chrissie, een 8- jarig meisje, dat in een verlaten huis een 2-jarig jongetje heeft gewurgd. Na de daad bruist haar buik van de opwinding en voelt ze zich machtig als een reus. Ze loopt naar het dorpsspeelpleintje en oefent met haar beste vriendin handenstanden tot ze de eerste kreten uit de richting van het verlaten huis hoort komen. Nieuwsgierig lopen de spelende kinderen naar het huis en ziet Chrissie hoe de moeder wanhopig schreeuwend haar gevonden zoon terug tot leven wil schudden. 20 jaar later is Chrissie een alleenstaande moeder. Als haar dochter per ongeluk van een muur valt en haar arm breekt, wordt ze opgebeld door haar reclasseringsbegeleider en vlucht ze omdat ze bang is haar dochter te moeten afgeven.
Die eerste zinnen haakten mij met morbide fascinatie vast aan het boek. Ik wilde de motieven kennen voor deze afschuwelijke daad. Waren die er wel? Doorheen het boek wordt afgewisseld tussen Chrissie-het kind en Chrissie-de moeder. Langzaamaan leerde ik Chrissie kennen, begon ik haar sympathiek te vinden, mee te leven en te wensen dat ze eindelijk toch wat geluk zou kunnen vinden maar doorheen het boek bleef ik ook altijd, soms maar een beetje, soms heel veel, walgen van haar. Die tegenstrijdige gevoelens doen je nadenken over dader en daad. Is vergiffenis nog mogelijk na zoiets onvergeeflijks? Hoe ga je om met mensen die hiertoe in staat waren? Kan en mag de dader nog wel geluk kennen of verdient ze het om eeuwig te lijden?
Een emotioneel zwaar maar zeer boeiend boek.
Dit is maar een van de leestips van Dominique, de apocalypticus van De leesbrigade.